Structuurbegrippen aanleren in de context van de vroegmiddeleeuwse handel

1. Welk doel streef je na?

Leerlingen beschrijven hoe de handel in de vroege middeleeuwen tot interculturele contacten leidde tussen westerse en niet-westerse samenlevingen.

Leerlingen leggen zowel het maritieme als continentale karakter van de vroegmiddeleeuwse handel uit met behulp van een kaart.

Leerlingen beschrijven in welke mate de vroegmiddeleeuwse handel als mondiaal kan worden beschouwd.

Leerlingen duiden regio’s binnen de vroegmiddeleeuwse handel aan als centrum of periferie.

Leerlingen beoordelen de betrouwbaarheid en representativiteit van historische bronnen voor het beantwoorden van historische vragen over  de vroegmiddeleeuwse handel.

 


2. Over welk thema of onderwerp gaat de les?

Dit is een les over de handel in de vroege middeleeuwen, waarbij handelsroutes en -producten, interculturele contacten, de rol van kooplieden… kan worden betrokken. Een mogelijke historische vraag waarrond je deze les(fase) kan opbouwen is: hoe mondiaal was de handel in de vroege middeleeuwen? Focus moet in deze les alleszins liggen op het aanleren van bijpassende structuurbegrippen rond situering in de ruimte. Via de aangereikte historische bronnen is er ook de mogelijkheid om bronkritiek in te oefenen.

Deze les kan op gevarieerde momenten in een lessenreeks over de vroege middeleeuwen worden ingepland. Eerder bij het begin van een lessenreeks zou je vanuit het dagelijks leven en daarbij aansluitend de economie, leerlingen kunnen laten kennismaken met politieke machten en culturen die vermeld worden in de bronnen, zoals het Frankische of Arabische rijk. In vervolglessen kan het ontstaan en ontwikkeling van die politieke machten aan bod komen.
Omgekeerd kan ook: nadat de politieke situatie in het vroegmiddeleeuwse Europa en Middellandse Zeegebied is gezien, worden via deze les de onderlinge contacten via de handel bestudeerd.


3. Aan welke deelcomponent(en) van historisch denken wordt er gewerkt tijdens de les(fase)?


4. Hoe bouw je de lesfase op?

De bronnen waarnaar hieronder verwezen wordt, vind je in Bijlage bronteksten handel in vroege middeleeuwen. Afhankelijk van de inhouden of vaardigheden waarop je in de les wil focussen, zullen sommige bronnen uit de bijlage meer bruikbaar zijn dan andere. Voel je vrij hier zelf keuzes in te maken.

Fase 1
Het is vanzelfsprekend om een les over handel in de vroege middeleeuwen op te starten vanuit de actualiteit: recente gebeurtenissen zoals het vastzitten van een containerschip in het Suezkanaal (maart 2021) zijn ideale aanknopingen om leerlingen bewust te maken van de mondiale handel in onze hedendaagse wereld. Hierbij kan het structuurbegrip mondiaal worden aangebracht.
Je kan deze instap ook laagdrempelig starten door leerlingen op etiketten van kledij, pennenzakken, tassen… te laten zoeken naar het label ‘Made in…’ en op die manier tot het begrip mondiaal te komen met betrekking tot de wereldwijde handelscontacten.

Vanuit de actualiteit kan makkelijk de brug worden gelegd naar het verleden: hoe mondiaal was de handel in de vroege middeleeuwen?

Fase 2
Laat leerlingen zowel vanuit (een selectie van) de historische bronnen in bijlage als een historische kaart kennismaken met de vroegmiddeleeuwse handel. Mogelijke inhoudelijke vragen:
– Welke regio’s waren onderling verbonden via handelscontacten?
– Via welke wegen verliepen deze handelscontacten?
– Welke van deze handelsroutes zijn continentaal? Welke zijn maritiem?
– Welke van deze regio’s behoren tot de westerse en welke tot de niet-westerse wereld?
– De handel leidde tot interculturele contacten tussen deze regio’s. Wat was de aard van de interculturele contacten? Hierbij kan je leerlingen de keuze geven tussen wederkerigheid of uitbuiting in het contact, cultuurvermenging of dominantie, wederzijdse impact, evt. met argumentatie.
– Welke regio kunnen we als centrum van deze interregionale handel beschouwen? Welke is eerder periferie?
– Hoe mondiaal was de handel in de vroege middeleeuwen?

DIFFERENTIATIE
Afhankelijk van de beginsituatie kan je ervoor kiezen deze lesfase klassikaal (via onderwijsleergesprek) of zelfstandig aan te pakken (of een mix van beide). In het tweede geval kunnen sterke leerlingen extra uitdaging krijgen door hen alvast te laten nadenken over meer complexe vragen uit de bovenstaande lijst (zoals de laatste drie).

OPTIONEEL
Via bovenstaande stappen worden de bronnen vnl. gebruikt om er informatie uit af te leiden. Je kan een stap verder gaan door leerlingen ook kritisch naar een of meerdere bronnen te laten bekijken en op die manier ET 8.4 betrekken, bv. via volgende oefening:

Stap 1: informatie verzamelen over de bron

    • Wat voor soort bron is dit?
    • Wie is de auteur van de bron?
    • Waar en wanneer werd de bron geschreven?
    • Wat leer je nog meer over de auteur?

Stap 2: informatie verzamelen uit de bron

    • Wat leert de bron jou over de vroegmiddeleeuwse handel?
      (Afhankelijk van de bron kunnen hier meerdere concrete vragen van worden gemaakt.)

Stap 3: informatie uit en over de bron interpreteren

    • Vanuit welk perspectief is deze bron geschreven?
    • Was de auteur tijdgenoot van wat hij beschrijft?
    • Was de auteur ooggetuige van wat hij beschrijft?
    • Had de auteur kennis van zaken over wat hij beschrijft?
    • Conclusie: hoe betrouwbaar is deze bron voor het bestuderen van de vroegmiddeleeuwse handel?
    • Uitbreiding (mogelijk wanneer meerdere bronnen zijn bestudeerd): in hoeverre komt de informatie uit de verschillende bronnen overeen? Hoe representatief zijn deze bronnen bijgevolg voor het bestuderen van de vroegmiddeleeuwse handel?

Stap 4: informatie en interpretatie gebruiken om de historische vraag te beantwoorden

    • Besluit: beantwoord de historische vraag, nl. hoe mondiaal was de handel in de vroege middeleeuwen?

Vanzelfsprekend kan bovenstaande vragenlijst worden aangepast aan de eigen noden en doelen. Ook de historische vraag in stap 4 kan worden aangepast naar een van de andere inhoudelijke vragen of een eigen invulling.

 

Fase 3
Als afsluiter kom je tot een duidelijk besluit op de historische vraag. Een genuanceerd antwoord is hier wenselijk: de bronnen geven informatie over handel tussen de verschillende regio’s in Europa, Klein-Azië en de Arabische gebieden, centraal-Azië, India, China… Er was duidelijk een intercontinentale handel die tot heel wat uitwisseling van producten en grondstoffen leidde. Over de betrokkenheid van andere delen van de wereld wordt in de bronnen niets vermeld. Kan je dat dan als mondiaal beschouwen?
Eventueel kan je hier terugkoppelen naar de instap (fase 1) en de vroegmiddeleeuwse situatie vergelijken met de actuele wereldhandel.


5. Waarom werk je zo aan Historisch denken?

Structuurbegrippen gebruiken: de focus ligt in deze les op structuurbegrippen. Vanuit een actuele instap kan de vraag worden gesteld hoe mondiaal de handel in de vroege middeleeuwen was. Via de beschrijving in de bronnen kunnen leerlingen structuurbegrippen als westers en niet-westers, maritiem encontinentaalinoefenen. Het Midden-Oosten zou als centrum van de handel kunnen worden beschreven, West-Europa als periferie.

Historische bronnen onderzoeken: omdat de informatie vnl. uit historische bronnen wordt afgeleid, is ook dit principe van historisch denken zeker van toepassing. Je kiest er als leraar voor om hier vnl. het verzamelen van informatie uit bronnen te trainen, of leerlingen ook te laten oefenen in interpretatie en kritisch redeneren met en over bronnen. Essentieel is dat de informatie uit (en eventueel over) de bronnen gebruikt wordt om de historische vraag te beantwoorden.